Een gemengde schakeling bestaat uit een combinatie van een serieschakeling en een parallelschakeling.

Veel leerlingen vinden dit lastig. Niet omdat de formules moeilijk zijn, maar omdat ze niet weten waar ze moeten beginnen.
De belangrijkste regel is:
Een gemengde schakeling bevat zowel onderdelen die achter elkaar als naast elkaar zijn aangesloten. Zoals hierboven.
In deze schakeling:
Je gebruikt dus beide soorten regels.
Per gemengde schakeling moet je goed kijken hoe je het systeem zo kunt opsplitsen dat je een pure serieschakeling of pure parallelschakeling krijgt.
Stel dat geldt: Utotaal = 12 V, R1 = 3,5 Ω, R2 = 6,0 Ω, R3 = 2,0 Ω
Stap 1: Bereken eerst de parallelweerstand
Voor de vervangingsweerstand van een parallelschakeling geldt: 1/Rtotaal = 1/R2 + 1/R3 = 1/6,0 + 1/2,0 = 0,667 1/0667 = 1,5 Ω
Hiermee vervang je R2 en R3 door één vervangingsweerstand van 1,5 Ω.
Stap 2: Bereken daarna de totale weerstand
Nu bestaat de schakeling alleen nog uit weerstanden in serie.
Voor een serieschakeling geldt: Rtotaal = R1 + R2+3 = 3,5 + 1,5 = 5,0 Ω
Je hebt nu de totale weerstand van de hele schakeling.
Stap 3: Bereken de totale stroomsterkte
Is de bronspanning bekend?
Gebruik dan de wet van Ohm: I = U / R = 12 / 5,0 = 2,4 A
Stap 4: Bereken het totale vermogen
Nu kun je het vermogen berekenen.
Het totale vermogen van de schakeling bereken je met: P = U ⋅ I = 12 2,4 = 28,8 W
Stap 4: Bereken het vermogen per onderdeel
Voor deze stap moet je naast de weerstand nog een gegeven hebben, dit kan de stroomsterkte zijn of de spanning.
Val L1 weet je de stroomsterkte, deze staat namelijk in serie met de batterij en dus is de stroomsterkte 2,4 A.
Hiermee kun je voor L1 de spanning en daarna het vermogen uitrekenen:
U = I ⋅ R = 2,4 ⋅ 3,5 = 8,4 V
P = U ⋅ I = 8,4 ⋅ 2,4 = 20,16 W
De totale spanning was
12 V, daarvan gebruikt L1 8,4 V. Er blijft over: 12 - 8,4 = 3,6 V
Aangezien L2 en L3 parallel geschakeld zijn krijgen ze beide 3,6 V.
We kunnen nu voor beide de stroomsterkte uitrekenen:
L2: I = U / R = 3,6 / 6,0 = 0,6 A
L3: I = U / R = 3,6 / 2,0 = 1,8 A
Als laatst kunnen we voor beide het vermogen uitrekenen:
L2: P = U ⋅ I = 3,6 ⋅ 0,6 = 2,16 W
L3: P = U ⋅ I = 3,6 ⋅ 1,8 = 6,48 W
Als controle tel je alle vermogens bij elkaar op om op het totale vermogen uit te komen.
20,16 + 2,16 + 6,48 = 28,8 W
Fout 1: Meteen de totale weerstand willen berekenen
Begin altijd met de opgedeelde onderdelen.
Fout 2: Vergeten dat stroom en spanning onderweg veranderen
In een gemengde schakeling gelden niet overal dezelfde regels.
Vraag jezelf steeds af:
Probeer nooit de hele schakeling tegelijk te begrijpen.
Pak een potlood en teken desnoods kleine vakjes om de serie- en parallelgedeelten.
Vraag jezelf steeds af: Welke regel hoort bij dit stukje van de schakeling?
Bij een seriegedeelte kun je vaak deze volgorde gebruiken:
Bij een parallelgedeelte kun je vaak deze volgorde gebruiken:
| Ik ben Rafal Wietsma (Meneer Wietsma Natuurkunde). Op deze website vind je gratis uitlegvideo's per examendomein én een complete online examentraining waarin we samen volledige examens maken. Zo leer je niet alleen de theorie, maar vooral hoe je examenopgaven stap voor stap oplost. | ![]() |