Bij een serieschakeling zijn alle onderdelen achter elkaar aangesloten. Daardoor loopt overal dezelfde stroom, maar worden de spanning én het vermogen verdeeld over de onderdelen.

Veel leerlingen halen weerstand en vermogen door elkaar. Gelukkig hoef je maar twee belangrijke regels te onthouden:
Als je deze twee regels begrijpt, kun je de meeste examenopgaven over serieschakelingen oplossen.
De weerstand (R) geeft aan hoe moeilijk elektrische stroom door een onderdeel kan stromen in ohm (Ω).
Als je meerdere weerstanden achter elkaar zet, wordt het voor de stroom steeds moeilijker om door de schakeling te gaan.
Daarom geldt in serie: Rtotaal = R1 + R2 + R3
Als in de schakeling hierboven ieder lampje een weerstand van 8 Ω heeft geldt:
Rtotaa = 8 + 8 + 8 = 24 Ω
De totale weerstand is dus de som van alle afzonderlijke weerstanden.
Hoe meer weerstanden je in serie zet, hoe groter de totale weerstand wordt.
Volgens de wet van Ohm geldt:
I = U / R
Als de spanning gelijk blijft en de weerstand groter wordt, dan wordt de stroom kleiner.
Daarom loopt er door een lange serieschakeling vaak minder stroom dan door een enkele weerstand.
De totale spanning is afhankelijk van de bron en niet van de totale weerstand in een schakeling.
De totale spanning zal dus gelijk blijven.
Het vermogen (P) geeft aan hoeveel elektrische energie een onderdeel per seconde omzet in watt (W).
Het vermogen bereken je met: P = U ⋅ I
Het totale vermogen van de schakeling is de som van de vermogens van de afzonderlijke onderdelen.
Dus: Ptotaal = P1 + P2 + P3
Bij een serieschakeling is de stroom overal gelijk.
Om een hoog vermogen te krijgen moet een apparaat dus een hoge spanning krijgen.
De spanning van een apparaat gaat omhoog wanneer de weerstand van het apparaat omhoog gaat.
Belangrijk: In een serieschakeling heet het apparaat met de grootste weerstand het grootste vermogen.
Twee weerstanden staan in serie met een spanningsbron van 12 V.
R1 = 10 Ω
R2 = 20 Ω
De totale weerstand is 10 + 20 = 30 Ω
De totale stroomsterkte is I = U / R = 12 / 30 = 0,40 A
Het totale vermogen is: P = U ⋅ I = 12 ⋅ 0,40 = 4,8 W
Weerstand R2 is twee keer zo groot dus het vermogen is ook twee keer zo groot.
De verhouding is dus 1 : 2
Je deelt het totale vermogen door 2+1 en krijgt: 4,8 / (2 + 1) = 1,6 W
R1 = 1,6 W
R2 = 2 ⋅ 1,6 = 3,2 W
Samen is dit 4,8 W
De stroom moet door beide weerstanden.
De weerstand die de stroom het meeste tegenwerkt, zet ook de meeste elektrische energie om in warmte.
Daarom heeft een grotere weerstand bij gelijke stroom een hoger vermogen. Het kost meer energie om door die weerstand heen te gaan.
Fout 1: Denken dat de weerstand en het vermogen niks met elkaar te maken hebben.
Fout 2: Vergeten dat de stroomsterkte door alle onderdelen gelijk is.
Fout 3: Vergeten dat een hoge weerstand voor een hoge spanning zorgt en dus een hoger vermogen.
Een batterij van 12 V is in serie aangesloten op drie weerstandjes: van 3 Ω, 6 Ω en 7 Ω.
Hoe groot is de totale weerstand en het vermogen van alle weerstandjes apart?
De totale weerstand is 3 + 6 + 7 = 16 Ω
De totale stroomsterkte is I = U / R = 12 / 16 = 0,75 A
Het totale vermogen is: P = U ⋅ I = 12 ⋅ 0,75 = 9,0 W
In verhoudingen kan nu niet, dus we rekenen de spanning per weerstand uit.
R1: U = I ⋅ R = 0,75 ⋅ 3 = 2,25 V
R2: U = I ⋅ R = 0,75 ⋅ 6 = 4,5 V
R3: U = I ⋅ R = 0,75 ⋅ 7 = 5,25 V
2,25 + 4,5 + 5,25 = 12 V dus dat klopt.
Nu rekenen we voor iedere weerstand apart het vermogen uit.
R1: P = U ⋅ I = 2,25 ⋅ 0,75 = 1,69 W
R2: P = U ⋅ I = 4,5 ⋅ 0,75 = 3,38 W
R3: P = U ⋅ I = 5,25 ⋅ 0,75= 3,94 W
1,69 + 3,38 + 3,94 = 9,0 W dus dat klopt.
Bij een serieschakeling kun je vaak deze volgorde gebruiken:
Met deze volgorde voorkom je veel rekenfouten.
Onthoud vooral:
| Ik ben Rafal Wietsma (Meneer Wietsma Natuurkunde). Op deze website vind je gratis uitlegvideo's per examendomein én een complete online examentraining waarin we samen volledige examens maken. Zo leer je niet alleen de theorie, maar vooral hoe je examenopgaven stap voor stap oplost. | ![]() |